Geschilderd door Pieter Christoffel Wonder, De Tijd (1810)
De afgelopen weken heb ik heel wat stijlfiguren de revue laten passeren. Maar wat moet je met al die stijlfiguren behalve ze toepassen in teksten? Je kunt ze ook vinden in gedichten, dat heb ik in verschillende stukjes ook laten zien met zinnetjes uit gedichten. Het leek me nu leuk om eens een gedicht te gaan ontleden op basis van stijlfiguren. Daarbij horen nog een paar termen die ik door dit stuk heen zal uitleggen.
Welk gedicht ga ik gebruiken?
Het leek me het handigst om een gedicht te gebruiken dat ik al eerder genoemd heb in een eerder stuk. Het is een sonnet van Hooft, die van de gezwinde grijsaard.
Gezwinde grijsaard die op wakkre wieken staag
De dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
Altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
Doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht, bij dag,
Onachterhaalbre Tijd, wiens hete honger graag
Verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken
En keert en wendt en stort Staten en Koninkrijken;
Voor iedereen te snel, hoe valt gij mij zo traag?
Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijve ik met mishagen
De schoorvoetige Tijd, en tob de lange dagen
Met arbeid avondwaarts; uw afzijn valt te bang.
En mijn verlangen kan de Tijdgod niet bewegen.
Maar ‘t schijnt verlangen daar zijn naam af heeft gekregen,
Dat ik de Tijd die ik verkorten wil, verlang.
Bij gedichten hebben we te maken met het metrum
Het metrum is het ritme, de kadans waarmee je een zin kunt opzeggen. Die ritmes hebben verschillende namen. De bekendste zijn de jambe, de trochee en de anapest. Daarnaast heb je nog de dactylus en de amfibrachys. Het leuke is dat de woorden zelf al aangeven hoe het ritme loopt. Luister maar naar de klemtoon als je de woorden hardop uitspreekt. De hoofdletter V staat voor de beklemtoonde lettergreep:
jambe = V –
trochee = – V
anapest = – – V
dactylus = V – –
amfibrachys = – V –
In het geval van de gezwinde grijsaard hebben we te maken met een trochee jambe. Update: ik werd er in de reacties opgewezen dat het een jambe is. Na lang beraad kwam ik erachter dat de reageerder gelijk heeft.
– V – V – V – V – V – V
Gezwinde grijsaard die met wakk’re wieken staag
Dit heeft verder niets met de betekenis te maken, maar het hoort bij de gedichtsanalyse.
De eerste strofe
Gezwinde grijsaard die op wakkre wieken staag
De dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
Altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
Doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht, bij dag,
In de eerste strofe wordt een oude man beschreven die door de lucht zweeft. Hij is de doodsvijand van de rust en is dag en nacht aanwezig.
We zien hier wat alliteraties, in de eerste zin al twee: gezwinde grijsaard en wakkre wieken. In zin twee zijn ze er ook: dunne doorsnijdt, zonder zeil. Zien jullie de alliteraties in de andere zinnen van deze strofe?
Een vraag die hier opduikt is: wie is nou die gezwinde grijsaard, de doodsvijand van rust? Misschien dat het in de tweede strofe duidelijk wordt?
De tweede strofe
Onachterhaalbre Tijd, wiens hete honger graag
Verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken
En keert en wendt en stort Staten en Koninkrijken;
Voor iedereen te snel, hoe valt gij mij zo traag?
In deze tweede strofe wordt ineens de Tijd aangesproken: een prachtige personificatie, want hoe kan de Tijd honger hebben? En de Tijd is hier ineens ook nog onachterhaalbaar. De Tijd is nogal hongerig, blijkt, want alles wordt door de Tijd aangetast. Die fijne Tand des Tijds zeg maar. Voor iedereen gaat de tijd snel, maar voor de schrijver, de lyrische ik, gaat de tijd traag. Hoe dat komt, lezen we vast in de derde strofe.
De derde ronde strofe
(Ik voel me een beetje mevrouw Stemband)
Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijve ik met mishagen
De schoorvoetige Tijd, en tob de lange dagen
Met arbeid avondwaarts; uw afzijn valt te bang.
De lyrische ik weet niet hoe hij de tijd moet doorbrengen nu zijn liefste er niet is. De Tijd is hier ook schoorvoetig geworden. Schoorvoetig betekent aarzelend, een beetje angstig. De Tijd aarzelt om verder te gaan. De ik tobt ook de hele lange dag. Hij mist zijn lief ontzettend.
Ik vind het wel een beetje een zeur overigens. Eens kijken of hij nog altijd zo zeurt in de vierde strofe.
De vierde strofe
En mijn verlangen kan de Tijdgod niet bewegen.
Maar ‘t schijnt verlangen daar zijn naam af heeft gekregen,
Dat ik de Tijd die ik verkorten wil, verlang.
Hier speelt de lyrische ik met verschillende betekenissen van het woord verlangen. We hebben te maken met een woordspeling. In de eerste zin gaat het om verlangen naar iemand, in dit geval de minnares van de ik. De Tijdgod heeft geen enkel medelijden met de ik: in plaats van dat de tijd korter wordt, wordt hij verlengd (verlang). Hij maakt een grapje, dus is iets minder een zeur.
Er zit in dit gedicht een zeer duidelijke stijlfiguur: de personificatie. De Tijd wordt aangesproken. Daarnaast is er nog een opsomming te vinden in de tweede strofe: verslokt, verslindt, verteert.
Een klein beetje intertekstualiteit
Intertekstualiteit wil zeggen dat je gaat zoeken naar raakvlakken met andere verhalen, mythen, legenden of zelfs actualiteit.
Nu is het bij dit gedicht van Hooft niet mogelijk om de actualiteit erbij te halen. Het gedicht komt uit de 17e eeuw. Maar we kunnen er wel een Griekse mythe bijhalen. Namelijk die van Kronos.
Kronos was de god die voor de Tijd zorgde. Met andere woorden: de dichter roept Kronos aan. Daar komt ook het beeld van de grijsaard vandaan. Kronos bewoog zich door middel van witte vleugels door de lucht. Dat zijn de wakkre wieken.
Als afsluiting een stukje intertekstualiteit waar je u tegen zegt. Hans Teeuwen met het Bijbelverhaal:
Herken je alle verwijzingen? Er zitten er waanzinnig veel in!