Bizar eigenlijk: vroeger ging ik naar huis. Ik ben al sinds mijn achttiende het huis uit, maar ik ging toch altijd nog naar huis. Bij mijn ouders in Zoetermeer was thuis. Niet dat ik er geboren ben, ik ben een schapenkop, een Dordtse, maar het huis waar ik woonde met mijn ouders, veertien jaar lang, Dat was thuis.

Inmiddels ben ik een aantal keer verhuisd. Van Zoetermeer naar mijn studentenkamer in Leiden, wat eigenlijk geen thuis was, want maar een enkele kamer. Van Leiden naar Delft: een tweekamerappartementje, maar wat een heerlijk huisje. Dat was een thuis. En van Delft naar een groter koophuis Den Haag. Daar heb ik me niet altijd even thuis gevoeld. Den Haag leek uit de richting, niet mijn stad. En nu weer terug in Zoetermeer in een kleiner, gehuurd driekamerappartement. En dat is ook thuis. Mijn thuis.

Al die tijd woonde mijn ouders, en later alleen mijn moeder, in hetzelfde huis. En dat was thuis, ik ging naar huis.

Maar nu is mijn moeder verhuisd naar een andere woning

Mijn ouderlijk huis is verkocht, de wilg in de tuin is weggehaald. Mijn slaapkamertje is niet meer van mij. Er slaapt nu een ander kind dat zijn eigen herinneringen maakt. En thuis is niet meer thuis.

Ik ga niet meer naar huis

Ik ga naar mijn moeder. Dat is een wezenlijk verschil. Hoewel mijn moeder nog steeds mijn thuis is, mijn veilige haven, is haar huis niet meer mijn thuis. Ik heb er namelijk nooit geslapen of gewoond. En dat haar huis mijn thuis niet meer is, voelt toch wel alsof je ineens een stukje jeugd hebt losgelaten.

Het verschil tussen naar huis gaan en naar je moeder gaan, is geen groot fysiek verschil. Het is een geografisch verschil en het is een wezenlijk verschil. Een plotseling inzicht in je leven, waardoor je ineens een stukje volwassenheid toelaat. Of je nu wil of niet.

Plaatje: Jamie Street